De Oordopjesmoord
De Zaak
Nieuws
In de Media
Achtergronden
Bestellen
Open Brief Van Rooij
Tinka Pleitnota 1
Tinka Pleitnota 2
Tinka Pleitnota 3
Vonnis kort geding
Mail aan BN/DeStem
De van Rooij files
Dossier Schellekens
Betty Bogaarts
Peter R. de Vries
Vonnis kort geding


Vonnis in kort geding Cees van Rooij c.s. tegen Mauritz, De Oordopjesmoord en Novio Media Uitgevers


LJN: BP1094,Voorzieningenrechter Rechtbank Breda, 229450 / KG ZA 11-5

Datum uitspraak:17-01-2011
Datum publicatie:18-01-2011
Rechtsgebied:Civiel overig
Soort procedure:Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie:Eisen verbod op voorgenomen publicatie van een boek en op gebod tot inzage voorafgaande aan de publicatie. Artikel 7 Grondwet. Eisen aan vordering; concrete formulering.
Uitspraak

vonnis


RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht


zaaknummer / rolnummer: 229450 / KG ZA 11-5

Vonnis in kort geding van 17 januari 2011

in de zaak van

1. CORNELIS PETRUS MARINUS VAN ROOIJ,
wonende te Breda,


2. MARIA PETRONELLA ADRIANA HUIJBREGTS,
wonende te Breda,
eisers,


advocaat mr. M.A. Buntsma,

tegen

JOHANNES MAURITZ h.o.d.n. NOVIO MEDIA UITGEVERS / BURO MAURITZ,


wonende te Dongen,
gedaagde.

Eisers zullen hierna elk afzonderlijk Van Rooij en Huijbregts genoemd worden en gezamenlijk Van Rooij c.s. Gedaagde zal hierna worden aangeduid met Mauritz.


1. De procedure


1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 januari 2011 met producties genummerd 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord, tevens pleitnota, met producties genummerd 1 tot en met 6;
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2011;
- de pleitnota van Van Rooij c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. Van Rooij c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter bij voorziening uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren en zo nodig op de minuut:
I. Mauritz veroordeelt om aan Van Rooij c.s. te betalen een bedrag van EUROO 5.000,- als voorschot op smartengeld wegens schending van de eer en goede naam;
II. Mauritz verbiedt om, op verbeurte van een dwangsom van EURO 10.000,- per dag, tot een maximum van EUR 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, Van Rooij op welke wijze dan ook verder in zijn eer en goede naam aan te tasten, in het bijzonder door aan Mauritz op straffe van die dwangsom een verbod op te leggen om in het openbaar door uitlatingen in woord en geschrift, een door hem of namens hem uit te geven boek daaronder begrepen, in verband te brengen met:
a. (vermeende) criminele activiteiten van Van Rooij;
b. (vermeende) betrokkenheid bij de moord op Tinka van Rooij;
c. het frustreren van het strafrechtelijk onderzoek naar de moord op Tinka van Rooij, door Van Rooij;
d. in het openbaar in zijn uit te geven boek, middels correspondentie naar derden, waaronder relaties, vrienden, familie en media zijn insinuaties openbaar te maken omtrent de levenswijze van Van Rooij;
III. Gelast dat Mauritz, op verbeurte van een dwangsom van EURO 10.000,- per dag, tot een maximum van EUR 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, aan Van Rooij c.s. vóór publicatie van het boek “De Oordopjesmoord” het manuscript ter beschikking stelt en dat de delen van dit manuscript welke zien op beschadiging van de eer en goede naam van Van Rooij c.s., ter beoordeling van Van Rooij c.s., op het eerste verzoek van Van Rooij c.s. door Mauritz, op verbeurte van een dwangsom van EUR10.000,- per dag, tot een maximum van EUR 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, zullen worden verwijderd uit dit manuscript alvorens Mauritz mag overgaan tot het uitgeven van dat boek;
IV. Mauritz veroordeelt om aan Huijbregts ten titel van voorschot te betalen een bedrag van EURO 1.500,-- als wijze van schadevergoeding voor de onrechtmatige publicatie van de foto’s van Tinka van Rooij in de advertentie en op de website;
V. Mauritz verbiedt om, op verbeurte van een dwangsom van EURO 10.000,- per dag, tot een maximum van EURO 100.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, foto’s van Tinka van Rooij, zoals opgenomen in het boek “Vermist en vermoord: Tinka van Rooij” openbaar te maken door deze foto’s te publiceren op of in zijn boek “De Oordopjesmoord” dan wel op enige andere wijze foto’s van Tinka van Rooij openbaar te maken;
VI. Mauritz verbiedt om, op verbeurte van een dwangsom van EURO 1.000,- per dag, tot een maximum van EURO 10.000,-, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, contact op te nemen, direct of indirect, en in welke vorm dan ook, met Van Rooij, Huijbregts en/of Marielle van Rooij;
VII. Mauritz veroordeelt in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening.

2.2. Mauritz voert verweer.

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen van partijen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:
a. Van Rooij c.s. zijn de ouders van wijlen Tinka van Rooij, die door moord om het leven is gekomen. Haar ontzielde lichaam werd op 9 juni 2004 ontdekt. Voor de moord op Tinka van Rooij zijn vier personen veroordeeld.
b. Van Rooij c.s. heeft in samenwerking met Jaap Jongbloed in mei 2006 een boek uitgebracht met de titel “Vermist en Vermoord: Tinka van Rooij, het verhaal van haar vader”. Op de omslag van het boek staat een foto van Tinka van Rooij, welke foto is genomen door Huijbregts. In dit boek zijn tal van foto’s van Tinka van Rooij opgenomen die door Van Rooij c.s. zijn genomen.
c. Mauritz en Van Rooij c.s. zijn in 2006 met elkaar in contact gekomen. Mauritz heeft Van Rooij toen medegedeeld dat hij op relevante informatie was gestuit met betrekking tot de moord op Tinka van Rooij.
d. Mauritz is voornemens een boek uit te geven met de titel: “De Oordopjesmoord”. Op de website www.deoordopjesmoord.nl valt onder meer te lezen:
“Ik zocht en vond de door helemaal niemand vermoedde parallellen en verwevenheid tussen de moord op Ran Biemans en die op Tinka van Rooij. En dat maakt ‘De Oordopjesmoord’ dubbel zo interessant. De zoektocht naar de feiten in de moord op Ran Biemans leverde – tussen de bedrijven door – op dat de moord op Tinka van Rooij nu werkelijk werd opgelost. Ook al dacht een ieder dat met de veroordeling van Arno Norbart (18 jaar), Angelo de Been (15 jaar), Jack Bogaarts (12 jaar) en de laatstelijk in 2008 veroordeelde Betty Bogaarts (6 jaar) de moordenaars nu allen vastzaten. Iets wat Tinka van Rooij’s vader Cees van Rooij - tegen beter weten in – de rest van Nederland wilde doen geloven. Mooi niet dus. De geanonimiseerde onthulling van de echte moordenaars en de ware toedracht rond de moord voegen briljante accenten toe aan een toch al gillende crime story: De Oordopjesmoord.
Ik ben er trots op dat in De Oordopjesmoord twee moorden worden opgelost terwijl ik het vooraf als utopisch inschatte om alleen al in de zaak Biemans ook maar een spat van bewijs boven tafel te krijgen. Het liep anders. Een onderzoek dat zes jaar duurde en tal van teleurstellingen opleverde vanwege het steeds maar weer nalopen van een gros aan dwaalsporen kwam begin 2009 in een beslissende fase. Toch duurde het nog meer dan een jaar om de harde feiten onweerlegbaar te documenteren en deze notarieel te laten registreren.”
e. Op 6 oktober 2010 heeft Mauritz per e-mail gereageerd op een e-mailbericht van Marielle van Rooij, de andere dochter van Van Rooij c.s., van eerder die dag.
f. Op 7 oktober 2010 is er een interview van Mauritz in BN/De Stem verschenen waarin Mauritz stelt dat de echte moordenaar van Tinka van Rooij nog vrij zou rondlopen en dat de verkeerde man is veroordeeld als hoofddader voor de moord op Tinka van Rooij.
g. Op 13 november 2010 is in BN/De Stem en in diverse andere wijkbladen een advertentie verschenen ter promotie van het door Mauritz uit te geven boek, waarin een foto van Tinka van Rooij is afgebeeld. De foto is dezelfde foto die is gebruikt voor de omslag van het boek van Van Rooij.
h. Op 25 november 2010 ontvingen Van Rooij, Marielle van Rooij en Henk Roovers, die destijds als rechercheur betrokken was bij de strafzaak met betrekking tot de moord op Tinka van Rooij, een brief van Mauritz met als bijlage 68 – door Mauritz geformuleerde – stellingen. Mauritz heeft Van Rooij verzocht te reageren op deze stellingen. In de brief heeft Mauritz Van Rooij medegedeeld:
Let wel: alle hieronder en in de bijlagen gedane beweringen en constateringen, opsomming van feiten en quotes van derden komen in enigerlei vorm dan wel integraal in het boek voor.”
i. Van Rooij c.s. hebben niet gereageerd op de brief van Mauritz.
j. Bij e-mailbericht van 3 december 2010 heeft Mauritz ondermeer aan Van Rooij medegedeeld dat is getracht Arno Norbart in PI De IJssel te vergiftigen, dat Mauritz voornemens is aangifte te doen en dat Mauritz twee personen, waaronder Van Rooij, mogelijk verantwoordelijk acht voor de huidige ontwikkelingen.
j. Op 23 december 2010 zendt Mauritz aan Van Rooij c.s., Marielle van Rooij, Henk Roovers en een anonieme verbalisant van de politie een e-mailbericht waarin hij meldt dat hij door een anoniem persoon wordt bedreigd. Volgens Mauritz is de dreigbrief afkomstig van Van Rooij c.s., hun dochter of iemand waarmee Van Rooij een zeer nauwe relatie onderhoudt.

Spoedeisend belang
3.2. Mauritz betwist dat Van Rooij c.s. spoedeisend belang hebben bij de vordering. Gelet op de mededeling ter zitting van Mauritz dat hij als richtdatum voor publicatie van zijn boek 14 januari 2011 hanteert, doch in ieder geval zo spoedig mogelijk tot publicatie wil overgaan, oordeelt de voorzieningenrechter dat Van Rooij c.s. voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vordering en dientengevolge hierin kunnen worden ontvangen. Partijen hebben in de processtukken en ter zitting ter zake de aanstaande publicatie van het boek duidelijke stellingen geponeerd, op grond waarvan de voorzieningenrechter van oordeel is dit geschil in kort geding te kunnen behandelen en de diverse vorderingen te beoordelen.

Vordering I
3.3. Van Rooij stelt dat Mauritz hem, door de brief van 25 november 2010 en de e-mail van 23 december 2010 integraal naar zijn dochter en de heer Henk Roovers toe te sturen, in zijn eer en goede naam heeft aangetast zodat hij – bij wijze van voorschot – aanspraak maakt op een bedrag van € 5.000,- ter zake van smartengeld. Mauritz betwist de vordering en voert aan dat hij in het kader van hoor- en wederhoor zich ook tot de dochter van Van Rooij heeft moeten wenden. Henk Roovers is als vertrouwenspersoon van Van Rooij geïnformeerd, aldus Mauritz.

3.4. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn. Ook dient uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist te zijn. Een vergoeding van immateriële schade (smartengeld) kan plaatsvinden wanneer de benadeelde in zijn eer of goede naam is aangetast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beweringen in voormelde brief en e-mail aantasting van de eer en goede naam van Van Rooij meebrengen. Het gaat kort gezegd om vele gedragingen bestaande uit strafbare feiten. Volgens artikel 6:106 BW heeft de benadeelde in geval van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen of indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit de zinsnede: ‘een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding’ volgt dat de rechter die op de voet van deze bepaling schadevergoeding toekent, een discretionaire bevoegdheid heeft met betrekking tot het bepalen van de omvang van die schadevergoeding. Van Rooij heeft geen concrete toelichting gegeven over de gevolgen van voormelde correspondentie voor hemzelf of over hoe zijn dochter en Henk Roovers als gevolg van die correspondentie tegen de persoon van Van Rooij aankijken. Het ontbreekt de voorzieningenrechter in kort geding dan aan voldoende feiten en omstandigheden om een billijke vergoeding bij wijze van voorziening te begroten. De vordering wordt afgewezen.

Vordering II
3.5. Van Rooij vordert voorts dat het Mauritz wordt verboden om hem verder in zijn eer en goede naam aan te tasten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een zodanig algemeen en ruim omschreven verbod voor de toekomst niet voor toewijzing in aanmerking komt. Of een uitlating onrechtmatig is vergt immers een beoordeling van een concrete uitlating, afgezet tegen de verder in de beoordeling te betrekken wegingsfactoren c.q. de omstandigheden van het geval. Ditzelfde geldt voor onderdeel a) en d) van deze vordering.

3.6. Onder punt b) vordert Van Rooij het Mauritz te verbieden om in het openbaar door uitlatingen in woord en geschrift Van Rooij in verband te brengen met (vermeende) betrokkenheid bij de moord op Tinka van Rooij. Ter zitting heeft Mauritz verklaard dat hij in het boek geen verband tussen Van Rooij en de moord op zijn dochter legt. Uit hetgeen hierover verder is gesteld en uit hetgeen is overgelegd, blijkt hier ook niet van zodat de voorzieningenrechter niet concreet kan vaststellen dat deze uitlating zal worden gedaan. Bij gebreke van de vaststelling van een dreigende onrechtmatigheid behoort dit onderdeel van de vordering te worden afgewezen.

3.7. Van Rooij vordert onder punt c) het Mauritz te verbieden om in het openbaar door uitlatingen in woord en geschrift Van Rooij in verband te brengen met het frustreren van het strafrechtelijk onderzoek naar de moord op Tinka van Rooij. Mauritz voert aan dat van de stellingen die hij op 25 november 2010 naar Van Rooij heeft gestuurd geenszins vaststaat dat deze teksten in het boek worden opgenomen. De stellingen die aan Van Rooij zijn voorgelegd, vormen geen concepttekst van het boek. Welke teksten uiteindelijk in het definitieve manuscript zijn verwerkt, is, zo stelt Mauritz, aan Van Rooij niet bekend. Er is nog niets gepubliceerd, zodat Van Rooij niet in zijn eer en goede naam kan zijn aangetast. Overigens is de tekst nog steeds in bewerking, aldus Mauritz.

3.8. De voorzieningenrechter oordeelt dat voor het op voorhand opleggen van een publicatieverbod moet kunnen worden vastgesteld dat de publicatie van het boek een onrechtmatige daad jegens Van Rooij zal opleveren. Daarvoor dient de voorzieningenrechter een afweging te maken tussen twee grondwettelijke waarborgen, te weten het belang van uitingsvrijheid en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Een dergelijke weging kan pas worden gemaakt op basis van concrete voor publicatie gerede gegevens. Nu nog geen definitieve voor publicatie vatbare tekst beschikbaar is gekomen, en Mauritz aangeeft nog aan de tekst te willen werken en niet expliciet kan aangeven of en zo ja wat er exact over dit punt – dan wel van de andere stellingen uit de brief van 25 november 2010 – in het boek zal worden opgenomen, kan de bedoelde afweging en toetsing nu niet plaatsvinden. Als desondanks toewijzing van de vordering zou plaatsvinden, zou dat in strijd met artikel 7 van de Grondwet zijn. Van Rooij blijft daarmee aangewezen op toetsing, en indien aan de orde compensatie, achteraf. Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

Vordering III
3.9. Van Rooij c.s. vordert dat Mauritz het manuscript van het boek vóór publicatie aan hen ter beschikking stelt en dat delen die zien op de beschadiging van de eer en goede naam van Van Rooij c.s. worden verwijderd alvorens Mauritz tot publicatie overgaat. Ter zitting heeft de advocaat van Van Rooij c.s. als alternatief aan de voorzieningenrechter verzocht om een tussenvonnis te wijzen waarin Mauritz wordt veroordeeld het manuscript aan de voorzieningenrechter te verstrekken, opdat deze de (on)rechtmatigheid van het boek kan beoordelen. Mauritz voert aan dat de vordering in strijd is met de persvrijheid en dat hij niet van zin is het manuscript, dat nog in bewerking is, vrijwillig te verstrekken om te laten beoordelen door de voorzieningenrechter.

3.10. Zoals reeds onder punt 3.8 is overwogen, dient de inhoud van het boek vóór de publicatie voldoende vast te staan om te kunnen beoordelen of die inhoud jegens Van Rooij c.s. onrechtmatig is. Nu niet kan worden vastgesteld wat er gepubliceerd zal worden, kan de dreigende onrechtmatigheid thans niet worden vastgesteld. Onder deze omstandigheden zou een verbod tot publicatie en een gebod tot inzage van het manuscript vooraf, zoals door Van Rooij c.s. is gevorderd, neerkomen op censuur door de rechter vooraf en aldus in strijd komen met de onder meer door artikel 7 Gw gewaarborgde en nader in de jurisprudentie uitgewerkte vrijheid van drukpers. Dit zou anders zijn wanneer Mauritz de te publiceren tekst vrijwillig aan de voorzieningenrechter zou verstrekken met het doel de tekst te toetsen op dreigende onrechtmatigheid. Deze bereidheid aan de zijde van Mauritz ontbreekt. De vordering wordt afgewezen.

Vordering IV
3.11. Huijbregts stelt dat Mauritz zonder toestemming de foto van Tinka van Rooij heeft gebruikt in de advertentie van 13 november 2010 en dat Mauritz daardoor in strijd heeft gehandeld met artikel 1 jo. artikel 19 Auteurswet. Ook heeft Mauritz een foto zonder haar toestemming geplaatst op zijn website.Huijbregts stelt door dit handelen immateriële schade te hebben geleden, welke schade zij begroot op € 1.500,-. Mauritz brengt hiertegen in dat hij de foto op de website direct heeft weggehaald. De foto in de advertentie betreft een eigen opname van Mauritz van de cover van het boek van Van Rooij, zodat hiermee geen inbreuk is gemaakt op auteursrechten. Bovendien zijn er op internet vele foto’s van Tinka van Rooij in omloop, zodat niet valt in te zien waarom hij die foto niet zou mogen gebruiken, aldus Mauritz.

3.12. Mauritz heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat Huijbregts autersrechthebbende op de foto van Tinka van Rooij is. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het maken van een foto van een foto waarop auteursrecht rust, eveneens tot inbreuk van het auteursrecht leidt, zodat dit verweer van Mauritz geen hout snijdt. Auteursrecht is een absoluut recht en de rechthebbende heeft dan ook de keuze om een derde die die foto gebruikt wel of niet hierop aan te spreken. In ieder geval is toestemming van de rechthebbende voor gebruik van de foto noodzakelijk, welke toestemming hier ontbreekt. De omstandigheid dat er een aantal foto’s op het internet vrij toegankelijk is, impliceert nog niet dat het daarom eenieder vrij staat om de foto’s nog verder, zonder toestemming, openbaar te maken. Er is daarom sprake van inbreuk op het auteursrecht, zodat Huijbregts in beginsel recht heeft op vergoeding van de door haar geleden materiële schade. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is echter slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn. Ook dient uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist te zijn. Huijbregts laat na toe te lichten waaruit haar materiële schade bestaat, zodat de vordering op grond van inbreuk op een auteursrecht niet toewijsbaar is. Voor zover Huijbregts bedoelt haar vordering voor immateriële schadevergoeding te baseren op artikel 6:106 lid 1 aanhef en sub c BW, heeft Huijbregts evenmin toegelicht dat door het gebruik van die foto de eer of goede naam van Tinka van Rooij op zodanige wijze is geschaad dat zij, als zij nog in leven zou zijn, recht op schadevergoeding zou hebben gehad. De vordering wordt afgewezen.

Vordering V
3.13. Op de foto’s die gebruikt zijn in het boek ‘Vermist en vermoord: Tinka van Rooij’ rust blijkens de onbetwiste stelling van Van Rooij c.s. en de overgelegde productie met betrekking tot het boek (productie 1 bij de conclusie van antwoord) auteursrecht. Zoals hiervoor reeds is overwogen levert het gebruik van die foto’s zonder toestemming van de rechthebbende inbreuk op het auteursrecht op. Het gevorderde verbod om foto’s van Tinka van Rooij uit voornoemd boek te publiceren is dan ook toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt toegewezen als na te melden.

Vordering VI
3.14. Van Rooij c.s. stellen dat Mauritz hen te pas en te onpas lastig valt met brieven en e-mailberichten, welk handelen inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer. Mauritz voert hiertegen aan dat hij tussen begin 2008 en de brief van 25 november 2010 geen contact met Van Rooij c.s. heeft gehad. Hij heeft Van Rooij c.s. benaderd om te reageren op zijn 68 stellingen en heeft ook gereageerd op door Van Rooij en Marielle van Rooij gestuurde e-mailberichten. Van lastig vallen is geen sprake, aldus Mauritz.

3.15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de stellingen en overgelegde producties niet is gebleken dat Mauritz eenzijdig stelselmatig contact heeft gezocht met Van Rooij c.s. In een bepaalde periode is er over en weer contact geweest tussen partijen, waarbij sommige contacten ook een reactie van de zijde van Mauritz betreffen op berichten van Van Rooij. Er is met deze feiten nog geen sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van Van Rooij c.s. Ter zitting heeft Mauritz nog aangegeven dat hij niet voornemens is Van Rooij c.s. nog te contacteren, zodat een ernstige inbreuk op de privésfeer van Van Rooij c.s. ook in de toekomst voorshands niet valt te vrezen. Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

3.16. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter, zoals besproken ter zitting, nog het volgende. Het enkele feit dat Mauritz stelt ten minste twee bronnen voor zijn feitelijke stellingen over Van Rooij te hebben en dat Van Rooij niet heeft gereageerd op de brief van 25 november 2010 met die stellingen, betekent nog niet dat het in het openbaar beschuldigingen van iemand van (betrokkenheid bij) criminele activiteiten niet onrechtmatig is.

3.17. De gevorderde uitvoerbaarverklaring op de minuut en op alle dagen en uren wordt als niet onderbouwd afgewezen.

3.18. Gelet op de uitkomst van de procedure, compenseert de voorzieningenrechter de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
  

4. De beslissing


De voorzieningenrechter

4.1. verbiedt Mauritz om onmiddellijk na betekening van dit vonnis foto’s van Tinka van Rooij, zoals opgenomen in het boek “Vermist en vermoord: Tinka van Rooij” openbaar te maken door deze foto’s te publiceren op of in zijn boek “De Oordopjesmoord” dan wel op enige andere wijze deze foto’s van Tinka van Rooij openbaar te maken;

4.2. veroordeelt Mauritz om aan Van Rooij c.s. een dwangsom te betalen van EUR 1.000,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 4.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 10.000,- is bereikt;

4.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2011





De OordopjesmoordDe ZaakNieuwsIn de MediaAchtergrondenBestellen